Geertje Spiliotopoulou-Nieuwenhuis woont met haar man Vassilis in de havenstad van Griekenland, Piraeus, samen met hun kinderen Apostolos en Anna.

Tot voor kort runden zij hun bloemenwinkel 'Anthodesmos' in het centrum van de stad. Door de financiele crisis en het ingrijpende bezuinigingsbeleid moesten zij 'de Nederlandse bloemenwinkel in het hart van Piraeus' helaas sluiten.

Geertje, freelance schrijfster en bloembindster, schrijft over haar ervaringen in het Griekenland van de crisis en zoekt daarbij altijd naar lichtpuntjes.

woensdag 25 juli 2012

"Opou figei,figei"



Al piepjong dacht mijn vriendin Jota, die nu 45 is: “Opou figi, figi.” (Zo snel mogelijk wegwezen) En dat deed ze. Zodra ze haar schooldiploma op zak had vertrok ze naar de ‘grote stad’ Piraeus, om aan de Pedagogische Academie te studeren.

 Jota had beslist niet genoten van haar jeugd tussen de tabaksvelden, in haar kleine dorp in de provincie Etolocarnania. Na schooltijd hees ze zich meestal, na een snelle lunch, in haar ‘ouwe kloffie’ om mee te werken. Samen met vader, moeder en haar zussen.  Eigen land bezat haar vader niet, hij huurde een perseel.  Ze hadden het niet breed, haar moeder stuurde Jota vaak naar de winkel met wat eieren, om ze te ruilen voor iets anders. Het hoogtepunt van haar schooljaren was toen de kameel op school kwam, waar de hele klas mee op de foto ging. Voor een klein bedrag kon de foto gekocht worden, maar Jota’s ouders hadden andere prioriteiten. Het ergste vond Jota de zomervakanties: de tabaksoogst was dan in volle gang en het hele gezin werkte mee. Voor dag en dauw begonnen ze met plukken. Na de siesta regen ze slingers van de tabaksbladen, die ze ophingen voor het droogproces. Jota’s vingers waren altijd zwart van de tabakssappen. De tabakskinderen hadden letterlijk een stigma.Nog jaren bleef Jota iedere zomer meehelpen bij de oogst, zelfs toen ze al was getrouwd, en zelf kinderen had.

Totdat  er een omwenteling kwam in het tabaksdorp, en in de hele tabakswereld, begin deze eeuw. De Europese Unie besloot de teelt van de tabakssoorten Mavro en Tsebelia af te bouwen en uiteindelijk te stoppen. De telers zagen hun inkomen dalen of verdwijnen, en het zwarte spook van de werkeloosheid hing boven de hoofden van de werknemers in de tabaksindustrie. Smeekbrieven gingen naar de Europese Commissie met de vraag een programma goed te keuren dat de mogelijkheid zou bieden d.m.v. opleidingsmaatregelen en infrastructuurprojecten de teelten te herstructureren, en zo de tabaksteelt en de werknemers te steunen. Tenslotte bood de tabaksteelt vooral in Griekenland veel werkgelegenheid. 52% van de tabaksteelt binnen de E.U. was in Griekenland gevestigd. Duizenden gezinnen waren er afhankelijk van. Er werd geexporteerd naar Amerika, Japan, het Midden Oosten, en Europa. De arme grond-voor deze tabakssoorten juist zeer geschikt- en de kleine percelen boden nauwelijks mogelijkheden voor een andere teelt. De tabaksteelt in Jota’s dorp, eeuwenlang overgedragen van vader op zoon, ging verloren. 

  Jota, nu 45, bezoekt nog vaak haar oude vader in het dorp. Langzaam maar zeker vallen de bewoners weg. Nog even en het is een spookdorp.Net als alle omliggende dorpen. Jongeren, die zo’n tien jaar geleden massaal wegtrokken, keren ook nu niet terug naar de bijna verlaten dorpen .”Ze hebben er niets te zoeken, op de arme gronden,” zegt Jota die alweer jaren voor de klas staat.

 Ze is flink gekort op haar loon, maar de crisis raakt haar niet echt. De armoede ligt haar, zoals zoveel Grieken, nog redelijk vers in het geheugen. Ze weten dat ze kunnen overleven op brood en olijven. ”Als we maar gezond zijn,” zegt ze graag.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten