Maandag
Met een stralende
glimlach verschijnt hij in de deuropening,op zijn arm een paar bossenkraakverse
bloemen. Pakistaan,schat ik zijn uiterlijk in.Waarschijnlijk woont hij met nog 10,of
20 landgenoten in een illegaal gehuurd appartement. Of met een massa illegale
migranten in een leegstaande fabriek. 'Mensenpakhuizen', stond er in de krant. Behalve
bloemenventer is hij ook "rakoselectis": hij scharrelt is de vuilnis,veelal naar
metalen objecten. "Dio evro",zegt hij ,met een accent."Twee euro". Ik kan dezelfde
bloemen niet inkopen voor die prijs, bedenk ik,en vertel hem dat ik ook bloemen
verkoop. Hij lijkt geen jota te begrijpen van mijn woorden,en loopt met zijn
glimlach door naar de volgende winkel.
Dinsdag
Een zigeunerin
trekt met haar karretje planten langs de winkels."Drie euro",roept
ze. Als ik weiger vraagt ze of ik
misschien een kijkje in de toekomst wil nemen voor een zacht prijsje. Verwensingen
mompelend in haar eigen taal vertrekt ze.
Woensdag
“Tzamia,dio
evro”,zegt een donkere jongen. Met 3 Griekse woorden probeert hij brood op de
plank te krijgen:”Ramen,twee euro.”Met zijn emmer en spons leurt hij langs de
winkels. Even later verschijnt een jonge Afrikaan met een enorme bos
sokken.”Heel goed,en niet duur”,prijst hij zijn waren aan. Ik leg uit dat ik de
zwarte markt niet kan steunen: ik heb een winkel. Ik betaal
belasting,huur,verzekeringen en zelfs voor de stoep waarop ik mijn planten
buiten zet. Langs me heen schuift hij de winkel binnen,waar hij zijn volgende
potentiele klant denkt te zien zitten:Vassilis.
Donderdag
In de
havenstad Patras wordt een man beroofd en vermoord door Afganen. De stad is in
rep en roer. Duizenden illegale migranten wonen in een leegstaande fabriek,en
worden gedoogd en geholpen door de bevolking,die hen kleding en maaltijden
verstrekken.Met de moord op ‘een van ons’ komen de migranten in een ander licht
te staan.De mensen in Patras zeggen zich onveilig te voelen. Een vader vertelt
dat hij zijn kinderen voorlopig niet buiten zal laten spelen. De nazistische
partij ‘Gouden Dageraad’ ziet zijn kans schoon,en massaal trekken partijleden
naar Patras,om de oorlog tegen migranten aan te gaan, gewapend met messen en
stenen.
Vrijdag.
Sotiris,collega bloemist,bij wie ik even
langsga, voelt zich verre van veilig.”Ik ben al 5 keer overvallen,het is een
ramp!”,zegt hij in zijn kleine winkel,in hartje Athene.Ook Anna,dik in de
zestig,kan over onveiligheid meepraten: ze heeft al diverse malen het mes-letterlijk- op haar
keel gehad,en de dagomzet meegegeven om het vege lijf te redden.Ze draait tegenwoordig
de deur van haar buurtwinkel-die tot 10 uur ‘s avonds open is-op slot. Ze heeft
haar winkel al ruim dertig jaar en weet voor wie ze opendoet. ”De buurt verandert”, vertelt ze”,er komen steeds meer buitenlanders bij.”
Zaterdag
Uit de buurwinkel
wordt een schilderij gestolen.Alhoewel
de meeste winkeliers buiten waren op het moment van het misdrijf,heeft niemand
iets gezien.Natasha,de eigenares van het gestolen voorwerp heeft een
idee:”Misschien moet ik gewoon de Gouden Dageraad eens bellen.” De nazistische
partij staat bekend om zijn directe hulp aan burgers. ”Dan moet je een ding
niet vergeten,” zegt Yannis.Natasha,en alle buren die zich voor haar winkel
verzameld hebben,kijken Yannis vragend aan.”Sperneis aera,therizeis thyelles”,zegt
hij. ”Wie wind zaait,zal storm oogsten.”Hopenlijk denkt men daar ook aan bij de
verkiezingen van 17 juni.
(Gepubliceerd in "Reformatorisch dagblad", Mei 2012)