Al piepjong dacht
mijn vriendin Jota, die nu 45 is: “Opou figi, figi.” (Zo snel mogelijk
wegwezen) En dat deed ze. Zodra ze haar schooldiploma op zak had vertrok ze
naar de ‘grote stad’ Piraeus, om aan de Pedagogische Academie te studeren.
Jota
had beslist niet genoten van haar jeugd tussen de tabaksvelden, in haar kleine
dorp in de provincie Etolocarnania. Na schooltijd hees ze zich meestal, na een
snelle lunch, in haar ‘ouwe kloffie’ om mee te werken. Samen met vader, moeder
en haar zussen. Eigen land bezat haar
vader niet, hij huurde een perseel. Ze
hadden het niet breed, haar moeder stuurde Jota vaak naar de winkel met wat
eieren, om ze te ruilen voor iets anders. Het hoogtepunt van haar schooljaren
was toen de kameel op school kwam, waar de hele klas mee op de foto ging. Voor
een klein bedrag kon de foto gekocht worden, maar Jota’s ouders hadden andere
prioriteiten. Het ergste vond Jota de zomervakanties: de tabaksoogst was dan in
volle gang en het hele gezin werkte mee. Voor dag en dauw begonnen ze met
plukken. Na de siesta regen ze slingers van de tabaksbladen, die ze ophingen
voor het droogproces. Jota’s vingers waren altijd zwart van de tabakssappen. De
tabakskinderen hadden letterlijk een stigma.Nog jaren bleef Jota iedere zomer
meehelpen bij de oogst, zelfs toen ze al was getrouwd, en zelf kinderen had.
Totdat
er een omwenteling kwam in het tabaksdorp,
en in de hele tabakswereld, begin deze eeuw. De Europese Unie besloot de teelt
van de tabakssoorten Mavro en Tsebelia af te bouwen en uiteindelijk te stoppen.
De telers zagen hun inkomen dalen of verdwijnen, en het zwarte spook van de
werkeloosheid hing boven de hoofden van de werknemers in de tabaksindustrie.
Smeekbrieven gingen naar de Europese Commissie met de vraag een programma goed
te keuren dat de mogelijkheid zou bieden d.m.v. opleidingsmaatregelen en
infrastructuurprojecten de teelten te herstructureren, en zo de tabaksteelt en
de werknemers te steunen. Tenslotte bood de tabaksteelt vooral in Griekenland
veel werkgelegenheid. 52% van de tabaksteelt binnen de E.U. was in Griekenland
gevestigd. Duizenden gezinnen waren er afhankelijk van. Er werd geexporteerd naar
Amerika, Japan, het Midden Oosten, en Europa. De arme grond-voor deze
tabakssoorten juist zeer geschikt- en de kleine percelen boden nauwelijks
mogelijkheden voor een andere teelt. De tabaksteelt in Jota’s dorp, eeuwenlang
overgedragen van vader op zoon, ging verloren.
Jota, nu 45, bezoekt nog vaak haar oude vader in het dorp. Langzaam maar
zeker vallen de bewoners weg. Nog even en het is een spookdorp.Net als alle
omliggende dorpen. Jongeren, die zo’n tien jaar geleden massaal wegtrokken,
keren ook nu niet terug naar de bijna verlaten dorpen .”Ze hebben er niets te
zoeken, op de arme gronden,” zegt Jota die alweer jaren voor de klas staat.
Ze
is flink gekort op haar loon, maar de crisis raakt haar niet echt. De armoede
ligt haar, zoals zoveel Grieken, nog redelijk vers in het geheugen. Ze weten
dat ze kunnen overleven op brood en olijven. ”Als we maar gezond zijn,” zegt ze
graag.